Tidabuk Stenogafa plo Volapük

Menad bal pük bal

TIDABUK STENOGAFA


PLO


VOLAPÜK


pelautöl segun sit Stolzeik


FA

Catharina W. Eck,

Jilöpitidel Volapüka e jitidel Stenogafa.




's-Gravenhage

PESEGIVÖL FA JILAUTEL

1892.  
 


 


Pejelöl loniko.


 


 

Leerboek der Stenographie voor Volapük, voor zelfonderricht bewerkt naar het Stolze'sche Systeem door Mej. C. W. ECK.

 


 

VOORREDE.

De gedachte om de grootsche uitfinding van den Zeer Eerw. Heer Schleijer dienstbaar te maken aan de verspreiding van het meesterstuk van Wilhelm Stolze, gaf mij aanleiding om dit boekje samen te stellen.

Hoewel het mijn streven was, de orthographie zooveel mogelijk in het oog te houden, heb ik toch, ter wille van de gemakkelijkheid van het geheel, hier en daar van de zuivere speling eenigszins moeten afwijken.

Woorden en zinnen, in dit werkje voorkomende, heb ik ontleend aan het woordenboek van den Datikal en aan de spraakkunst en de Dictionnaire van Professor Heijligers en anderen.

Ik betuig te dezer plaatse, mijn oprechten dank, aan mijnen geachten leermeester den WelEd. Heer J. L. WÉRY, Directeur der Nederlandsche stenografen-vereeniging Stolze-Wéry, aan wien ik zoo menigen nuttigen wenk te danken heb en die, met zijne algemeen erkende, veelzijdige kennis op stenographisch gebied, mij steeds zoo welwillend en geheel belangeloos ter zijde stond.

Gaarne toegevende, dat mijn boekje wellicht voor verbeteringen vatbaar zal zijn, houd ik mij voor alle opmerkingen en wenken desbetreffende, beleefdelijk aanbevolen.

Niets zal mij aangenamer zijn, dan dat mijn werkje in de volste beteekenis van het woord de wereld ingaat.

CATHARINA W. ECK.

 


 

In No. 9 van „DE GEVLEUGELDE PEN“

wordt geschreven:

Onder de vele beoefenaars die het Stolze'sche Systeem, sedert het verschijnen van het Leerboek der Nederlandsche Stenographie, door J. L. Wéry, hier te lande heeft gevonden, is ongetwijfeld aan Mej. C. W. Eck, een eereplaats toe te kennen,

Sedert den 16 Februari 1891 legde zij zich op de studie dezer wetenschap toe, en hoe langer hoe meer leerde zij de stenographie waardeeren, die haar bij hare verdere studie van zulk een onberekenbaar nut kon zijn. Na het leerboek doorgewerkt te hebben, rekende zij het haar plicht, in een bepaalden tijd een boekwerk in stenographie over te schrijven, hetgeen haar noodzaakte elken dag tien bladzijden druks in dit schrift over te brengen. De overtuiging dat zij bij deze oefening reeds vaardigheid met het kortschrift had verkregen spoorde haar aan geen gelegenheid te laten voorbijgaan om meer in de mysterien der kunst te worden ingewijd. Meegaande met den geest des tijds zien wij haar reeds in de laatste maanden van verleden jaar in de vergaderingen en zittingen der meest bekende vereenigingen hier ter stede, wier wetenschappelijke voordachten zij min of meer trachtte op te teekenen. Het ongewone, tusschen de reporters en verslaggevers der nieuwsbladen, hier te lande, eene dame aan te treffen die hare aanteekeningen maakte mit schriftteekens, die niet de alledaagsche waren, wekte de sympathie van allen, die haar bij hare werkzaamheden gadesloegen, en geen vergadering heeft er plaats of de bestuurderen die haar leerden kennen zenden haar eene uitnoodiging, terwijl tal van personen wier namen door geheel Nederland bekend zijn, gaarne kennis met haar maakten. Deze geregelde oefeningen hadden haar dan ook reeds eene snelheid von 220 lettergrepen in de minuut doen verkrijgen. Neemt men nu daarbij in aanmerking dat zij in die 15 maanden tijds, ook de overdraging van het Stolze'sche systeem op de Fransche en Duitsche talen met succes bestudeerde, dan is het niet te verwonderen, dat wij thans met vreugde kennis nemen van een werkje dat in manuscript voor ons ligt en den bovengenoemden titel voert.

„De gedachte“, zoo vangt de schrijfster de voorrede aan, „om de grootsche uitvinding van den Zeer Eerw. Heer Schleijer dienstbaar te maken aan de verspreiding van heet meesterstuk van Willem Stolze, gaf mij aanleiding dit boekje samen te stellen“. Reeds uit deze woorden blijkt, hoezeer zij de Stolze'sche stenographie waardeert.

De leergang is ingedeeld in 17 tabellen, terwijl er nog drie tabellen voor leesoefeningen zijn bijgevoegd. Het is systematisch ingericht, evenals het theoretisch practisch leerboek der Duitsche stenographie door Willem Stolze, 51e geheel verbeterde druk. De teekens zijn dezelfde gebleven behalve dat voor de j de sch is genomen voor de ij de i terwijl het teeken voor ng tweelijnig wordt geschreven, omdat deze samengestelde medeklinker maar in zeer enkele woorden voorkomt. De eigenaardigheeden die volapük bij het samenstellen der woorden oplevert, konden natuurlijkerwijze niet zonder invloed zijn op een stelsel van stenographie, dat geheel en al berust op de klankleer.

Voor zoover wij uit het manuscript konden opmaken, is zij van de eerste tot de laatste les geheel consequent gebleven.

Wij wenschen deze onvermoeide ijveraarster van harte succes en hopen dat haar boekje een alzijdige opname moge vinden.

In de bibliotheken van den Stolz'esche Stenografen-Vereenigingen in de geheele wereld, mag dit werkje niet ontbreken, te maar daar het weer eene poging is om het bewijs te leveren, van de groote waarde van dit systeem.

 


 

BIPÜK.

 


 

Tik algebön datüvi subimik, söla ledivik Schleyer, plo pakam de vobad maselik ela Wilhelm Stolze, ästigom obi, penön bukili at.

Do egelo ästeifob suön lotogafi, demü nefikul löla, sneko ämutob deflekön obi de lotogaf klinik.

Vöds e sets fokömöl in vobil et, älusumob de vödasbuk Datikala e de Glamat profesana Heyligers e votiks.

Is danüsagob känüdo masele lestimik oba, söle J. L. Wéry, dilekele stenogafakluba nedänik Stolze-Wéry, kel ägivom obe vinegis mödik pöfüdik ed ai äyufom obi nedesidamiko e benäliko ko nol manifodik oka su stük Stenogafa.

Viliko siob das bukil ob onedom gudamamis, sikodo obinob danik plo vinegs e loegams kelis ovilon givön obe.

Spelob ladliküno das vobil obik jenöfo ogolom in vol.

Catharina W. Eck.

's-Gravenhage, mälul 1892.

 


 

Vinegs plo okatid.

 


 

Binos pesevöl valemo, das, lenadöl bosi, begino fikuls mödumik egelo sibinoms; ab ven fino kapälon pöfüdi dina, vikodon nefikulis valik.

Sikodo, vilöl lenadön stenogafi, no muton sagön: „äviloböv nolön bosi dö kan at, ab vilob lenadön omi. Täno, beginöl sugiv balid, no otuvon fikulis so gretik, e ko zi ofovon.

Nu loegams anik sukoms, kelis muton fölön lä stud.

Ven penon, balido kudon das kipam no binom dämik saune. Sikodo siedolös vemo sulüodik, ko jöts bäkivedo, du nevelo yüfenös kapi ko nam.

Sumulös peni, no vemo flegik, nigi flumlik e pöp smufik. Ji-penel buka at selof penamis, kelis nedon lä stud stenogafa.

Begino leno penolös ko stib; bi täno mals ovedoms nekleilik e te fikuliko kanon liladön kisi epenon.

Binos zesüdik liladön del alik vödis fokömol in sugiv keli penon, du penon kilna luuno vödi u seti alik; sugiv alik penon du vig lölik.

Lepato no fögetonos liladön egelo, valikosi epenon.

Ko stenogaf okanon fino penön so vifiko, das penon mälik de penam kösömik.

 


 

Sugiv balid.

In stenogaf geb gletonabas binom nepesevik.

Vilem, Deutän, Nedän.
vilem, deutän, nedän.

Silabs, beginöl e finöl ko kosonat, u ko kosonat kopladöl (: a. s. dl, st, e. l. :) benemon silabs pekiköl: